Klassiek


Locus Iste - Anton Bruckner

Locus iste a Deo factus est
Inaestimabile sacramentum
Irreprehensibilis est.
Deze plaats is door God gemaakt tot een onschatbaar heiligdom;
onberispelijk is hij.

Weep, O Mine Eyes - John Bennett

Weep, o mine eyes and cease not,
Alas, these your spring tides, 
me thinks increase not.
O when begin you
to swell so high that I may drown me in you?
Ween, oh mijn ogen en houd niet op te wenen.
Helaas, jullie vloedgolven nemen niet toe, dunkt me.
Oh, wanneer beginnen jullie zo aan te zwellen dat ik me in je kan verdrinken?

Calme des nuits - Camille Saint-Saëns

Calme des nuits, fraîcheur des soirs,
Vaste scintillement des mondes,
Grand silence des antres noirs
Vous charmez les âmes profondes.

L'éclat du soleil, la gaieté,
le bruit plaisent aux plus futiles;
le poète seul est hanté
par l'amour des choses tranquilles.
Vreedzame nachten, koele avonden, 
weidse glinstering der sferen,
diepe stilte van duistere spelonken: diepzinnige zielen verheugen zich in u.

Zonneglans, vreugde,
lawaai behagen de meer oppervlakkigen. Slechts de dichter is bezeten van liefde voor de stilte.

Dieu! qu’il la fait bon regarder - Claude Debussy

Dieu! qu’il la fait bon regarder
La gracieuse bonne et belle;

Pour les grands biens que sont en elle chascun est prest de la loüer.
Qui se pourroit d’elle lasser?
Tousjours sa beauté renouvelle.

Par de ça, ne de là, la mer
Ne scay dame ne damoiselle
qui soit en tous bien parfais telle.
C’est ung songe que d’y penser:
Dieu! qu’il la fait bon regarder!


God! wat een feest om naar haar te kijken, die bevallige, heerlijke, mooie vrouw!

Ieder is bereid haar lof te bezingen.
Wie zou haar moe worden?
Haar schoonheid vernieuwt zich telkens weer.


Noch aan deze, noch aan gene zijde van de zee weet ik van een dame of jonge vrouw die in alles zo volmaakt is als zij.
Aan haar te denken is als een droom: God! Wat een heerlijke aanblik!



Im Herbst - Johannes Brahms

Ernst ist der Herbst, und wenn die Blätter fallen, sinkt auch das Herz zu trübem Weh herab.
Still ist die Flur und nach dem Süden wallen die Sänger stumm, wie nach dem Grab.

Bleich ist der Tag und blasse Nebel schleiern die Sonne wie die Herzen ein.
Früh kommt die Nacht:
Denn alle Kräfte feiern und tief Verschlossen ruht das Sein.

Sanft wird der Mensch. Er sieht die Sonne sinken, er ahnt des Lebens wie des Jahres Schluss. Feucht wird das Aug, doch in der Träne Blinken entströmt des Herzens seligster Erguss.


Ernstig is de herfst en als de blaren vallen, zakt ook het hart weg in droef verdriet.
Stil is het veld en naar het zuiden trekken de zangers stil, als naar het graf.

Bleek is de dag en vale nevelen omsluieren de zon als het hart.
Vroeg valt de nacht want alle krachten rusten en diep in zich gekeerd rust het zijn.

Zachtmoedig wordt de mens. Hij ziet de zon dalen, hij vreest het levenseinde en dat van het jaar. Zijn ogen tranen, maar in het blinken ervan ontspringt uit het hart een gevoel van opperste gelukzaligheid.